Uitgangspunt

Created with Sketch.

Onderzoek het uitgangspunt van de choreografie op de video. Bijvoorbeeld een verhaal/ thema/ emotie/ muziek/ kunstwerk/ abstract. Gebruik het uitganspunt en vertaal het op eigen wijze in de choreografie. 

Begin positie

Created with Sketch.

Maak een duidelijk beginbeeld, bijvoorbeeld:


- Podium leeg, dansers komen op in het stuk (lopend/ rennend/ improviserend/ met een bewegingsfrase)

- Het is donker het licht gaat aan wanneer de dansers al op zijn

- In stilte, eerst beeld/ beweging, dan muziek

- In een freeze op het podium

- Verspreid in een beginhouding


Muziek

Created with Sketch.

Observeer hoe de muziek zich verhoudt tot de bewegingen op de video? (bijvoorbeeld muziek en dans staan los van elkaar/ dansers bewegen op de beat) Verwerk deze relatie van muziek en dans in je choreografie.

Elementen

Created with Sketch.

Welke elementen herken je in de compositie van de video? verwerk deze elementen in je choreografie. Gebruik de voorbeelden hieronder als hulpmiddel.

Beweging (hoe)

Varieer in bewegingskwaliteiten

(bijvoorbeeld vloeiend, krachtig, staccato, met stops, slow motion, sierlijk, zacht, laag)


Gebruik levels (dansers dansen op verschillende hoogtes) 


Contrast  (hoog/laag, snel/ langzaam, groot/ klein)

(bijvoorbeeld van groot naar klein bewegen, of een paar dansers dansen groot en een paar dansers dansen klein) 


Improvisatie (elke danser bedenkt ter plaatse eigen bewegingen)


Kracht (verschil in dynamiek bv. accenten maken met hele krachtige bewegingen/ heel licht/zacht bewegen alsof er geen zwaartekracht is)

Tijd (wanneer)

Wissel in tempo (snel/ slow motion/ verschillende tempi) (bv. sommige dansers dansen snel en sommige langzaam)


Synchroon (alle dansers dansen tegelijk)


Herhaling (herhaal een beweging of een frase) 


Accumulatie (1 danser begint, danser 2 valt later in, maar danst synchroon aan danser 1 etc)


Canon (bijv danser 1 start een frase op 1 en danser 2 start op tel 5, iedere danser blijft z’n eigen timing vasthouden dus danser 2 eindigt dan ook 4 tellen later dan danser1) 


Echo (bijv groep 1 danst een frase en groep 2 staat stil en daarna bevriest groep 1 en en danst groep 2 een frase)

Ruimte (waar)

Dansers dansen allemaal in een andere richting (bv naar publiek/ rug naar publiek/ naar een danspartner/ naar een object)


Varieer met verschillende formaties (bijv. diagonaal, rij, V, tweetallen)


Varieer in de afstand van dansers ten opzichte van elkaar. (bijvoorbeeld een kluit rechts voor en een solo links achter op het podium)


Dansen op 1 plek vs dansen door de ruimte ( bv 1 danser staat op een plek en de anderen dansen erom heen)


Dansen in verschillende patronen

(bijv. rijen die door elkaar kruisen/

cirkels die in verschillende richtingen draaien)